VAN ROMEINS NAAR ROMAANS: DEEL 1.
De
opkomst van het christendom.
In
de eerste twee eeuwen na de dood van Jezus kreeg het christendom
slechts moeizaam voet aan de grond in het Romeinse Rijk, ondanks het
feit dat de tijdgeest er meer dan rijp voor scheen te zijn. Voor de
talloze met brood en spelen zoetgehouden armen was de hoop in het
hiernamaals hun gram te kunnen halen onweerstaanbaar. Had een kameel
immers niet méér kans door het oog van een naald te kruipen, dan
een rijke om in de hemel te komen? Daar kwam de praktische steun in
het dagelijks leven door diakenen nog bij. Bovendien hadden vele
intellectuelen hun buik meer dan vol van de kinderachtige, oversekste
en twistzieke Romeinse goden. De christenen werden door de overheid
echter beschouwd als een gevaarlijke, staatsondermijnende sekte,
aangezien ze weigerden deel te nemen aan de voor de sociale cohesie
zo essentiële keizercultus en nalieten offers te brengen aan de Romeinse
goden. Ze werden daarom bij vlagen fanatiek vervolgd. Nero (54-68)
gooide hen kraaiend van plezier voor de leeuwen en ook latere keizers
als Decius en Diocletianus lieten zich niet onbetuigd.
De
eerste christelijke gemeenschappen ontwikkelden zich in handelssteden
(de havenstad Classis schijnt in het jaar 44 de Italiaanse primeur te hebben
gehad). Ze konden zich niet openlijk manifesteren en hielden hun
religieuze bijeenkomsten veelal in privéwoningen. Dit alles
veranderde door toedoen van een ambitieuze pretendent voor de
keizerskroon, Constantijn (later door dankbare christenen de
Grote gedoopt). Aan de vooravond van de Slag bij de Milvische
Brug, waar hij de confrontatie zocht met zijn rivaal Maxentius, zag
hij in een droom het Christusmonogram en liet het op de schilden van
zijn soldaten aanbrengen. Hij overwon en de vluchtende Maxentius
verdronk in de Tiber. Voor de aanvankelijke 'zonaanbidder'
Constantijn bewees dit de superioriteit van de christelijke god
afdoende.
In
313 gaven Constantijn en zijn zwager en medekeizer Licinius in het
Edict van Milaan
godsdienstvrijheid aan de christenen. Constantijn liet vele kerken
bouwen (o.a. de Heilige Grafkerk in Jeruzalem en de eerste Sint
Pieterskerk in Rome) en bemoeide zich intensief met de theologie
(o.a. door tijdens het Concilie van Nicea in 325 de 'orthodoxe'
opvatting over de goddelijke aard van Jezus algemeen verbindend te
verklaren). Hoewel hij een allesbehalve vroom leven leidde (hij
vermoordde een groot deel van zijn familie, inclusief zijn zwager en
neefje, zijn populaire oudste zoon Crispus en zijn tweede echtgenote
Fausta) en zich pas op zijn sterfbed liet dopen, namen de christenen
snel in aantal toe -mede omdat omarming van het christelijke geloof
bepaald geen nadeel bleek als men een betrekking in overheidsdienst
ambieerde. Toen Theodosius I in 380 het christendom tot
staatsgodsdienst verhief en de heidense eredienst verbood, was er al
bijna geen heiden meer te bekennen.
In
het verleden zagen sommige historici, zoals Edward Gibbon, het
christendom als een van de belangrijkste oorzaken van de neergang van
het Romeinse Rijk. Niet dat deze bij uitstek feminiene godsdienst de
Romeinen onvermijdelijk tot slappelingen degradeerde, maar christianisering was
zonder enige twijfel één van de ontwikkelingen die de mentaliteit die
Rome groot had gemaakt ondermijnde -en het waren inderdaad de
christelijke keizers die veel Romeins grondgebied definitief verspeelden.
Er waren echter tal van contribuerende factoren, waaronder een fikse
economische crisis in de 3e eeuw en onophoudelijke invallen van
'barbaren'.
Het
Romeinse Rijk behaalde zijn grootste omvang tijdens het bewind van de
alom bewonderde keizer Trajanus (98-117). De Romeinen zouden echter
spoedig ervaren dat het heel wat makkelijker is een wereldrijk te
veroveren dan het te behouden. Reeds zijn opvolger Hadrianus
(117-138) moest al zijn krachten wijden aan de consolidatie van het
imperium. Hij trok zich terug uit Perzië en bouwde in het noorden
van Brittannia een muur dwars door het land om de Picten buiten de
grenzen te houden. In Midden-Europa werd de honderden kilometers
lange limes geconstrueerd. Romeinse keizers zagen zich in
toenemende mate gedwongen huurlingen (o.a. Germaanse foederati)
in te zetten bij de grensbewaking. Germaanse krijgsheren gingen een
steeds belangrijker rol in het Romeinse leger en de Romeinse politiek
spelen, tot er in later tijden vrijwel alleen nog Germanen het slagveld betraden (die zonder scrupules van zijde wisselden)
en de keizers weinig meer dan marionetten waren.
In
het besef dat het territorium te ver uitgebreid was om door één
heerser bestierd te worden voerde keizer Diocletianus
(284-311) ingrijpende structurele hervormingen door. Hij stelde een
tetrarchie (viermanschap)
in, waarbij het imperium werd opgedeeld in een westelijke
helft met als hoofdstad Milaan en een oostelijke helft met (in latere
jaren) als hoofdstad Constantinopel, het vroegere Byzantium. De beide delen waren weer opgesplitst in kleinere administratieve eenheden
(diocesen) en stonden onder leiding van een keizer (augustus)
en een onderkeizer (caesar), die veel nadrukkelijker
bewierrookt werden dan hun voorgangers. Lang duurde de scheiding in
eerste instantie niet: Constantijn I (306-337), de zoon van de
westelijke caesar Constantius Chlorus, slaagde er in zijn
concurrenten één voor één uit te schakelen en het imperium
kortstondig weer te herenigen. Aan het eind van de vierde eeuw viel
het Romeinse Rijk definitief uiteen toen Theodosius I (379-395) na
zijn dood het grondgebied verdeelde onder zijn zonen Arcadius
(oostelijke helft) en Honorius (westelijke helft).
Nauwelijks
een decennium later (406) doorbraken de Germaanse Sueven en Vandalen
en de Iraanse Alanen de limes en kwamen na drie jaar van
verwoestende omzwervingen in Gallië op het Iberisch Schiereiland
terecht. De Vandalen trokken verder naar Noord-Afrika, waar ze de
Romeinen van hun voornaamste 'broodmand' beroofden. Van daaruit
maakten ze hen nog geruime tijd het leven zuur (o.a. door Rome te
plunderen), tot ze door de Byzantijnen op de knieën werden gebracht.
De Sueven etableerden zich in het noordoosten van het Iberisch
Schiereiland en wisten zich daar tot het eind van de 6e eeuw te
handhaven. De Alanen verdwenen in de nevelen van de geschiedenis.
De
doodklap voor het westelijke deel van het rijk werd onbedoeld door de
Hunnen uitgedeeld. Zij behaalden rond 375 een reeks overwinningen op
de bij de Zwarte Zee gevestigde Germaanse Goten, die richting Italië
werden gedreven. De Visigoten (Westgoten) vielen er in 401
binnen. Het jaar daarop verplaatste keizer Honorius zijn hoofdstad
naar het door moerassen omgeven Ravenna. Daardoor was hij niet
overmatig bezorgd toen de Visigoten onder Alarik Rome bedreigden en
weigerde hij op hun op zich niet onredelijke eisen in te gaan, waarop
de stad wederom geplunderd werd. Na de dood van Alarik trokken zijn
manschappen onder bevel van zijn zwager Athaulf (met als
oorlogsbuit o.a. Galla Placidia, de halfzuster van Honorius) naar
Zuid-Frankrijk, waar ze in 418 met toestemming van de wijzer geworden
keizer een vazallenrijk stichtten met Tolosa (Toulouse) als
hoofdstad. Niet alleen stelden ze orde op zaken op het Iberisch
Schiereiland, maar ze hielpen tijdens de Slag op de Catalaunische Velden (451) de Romeinen ook de steeds verder naar het westen oprukkende Hunnen te verslaan. Die richtten hun aandacht daarna op Italië.
In
476 zette de Germaanse usurpator Odoaker de laatste Romeinse keizer
Romulus Augustulus af, het officiële einde van het westelijke rijk.
Hij werd zelf verraderlijk vermoord door Theodorik, de 'koning' van
de Ostrogoten (Oostgoten),
die als nieuwe heerser Ravenna verrijkte met vele prachtige
bouwwerken, waaronder een aantal nog steeds bestaande (Ariaanse)
kerken. [De Goten waren door de 4e eeuwse bisschop Wulfila bekeerd
tot het Arianisme, dat het dogma van de
heilige drievuldigheid niet accepteerde. Hij ontwikkelde zelfs een
eigen alfabet om delen van de bijbel in het Gotisch te vertalen.]
De
Oost-Romeinse keizer Justinianus I (527-565) begon in 533 met de
herovering van de verloren gegane delen van het vroegere rijk. Als
eersten kwamen de Vandalen aan de beurt, die weinig tegenstand konden
bieden aan het geweld van zijn veldheer Belisarius. Daarna waren de
Ostrogoten de klos. Ravenna viel in 540, maar het duurde nog bijna
vijftien jaar voor heel Italië in Byzantijnse handen was. Van een
herstel van de glorie van het oude Rome was echter geen sprake: de
oorlog verwoestte meer Romeinse monumenten dan alle invallen van
'barbaren' voordien. Nog geen twee decennia later werden de
Byzantijnen uit Noord-Italië verdreven door de Germaanse
Longobarden, die er tot 774 heersten.
Het
tijdperk van de 'Grote Volksverhuizing' werd lange tijd gezien als
een inktzwarte periode in de Europese geschiedenis, een periode van
chaos en verval. Tegenwoordig zijn historici meer geneigd de nadruk
te leggen op de culturele continuïteit. De binnenvallende Germanen
wilden de Romeinse beschaving niet vernietigen. Integendeel, ze
wilden er deel aan hebben. Zelfs de Vandalen in Noord-Afrika waren
ondanks hun afschrikwekkende reputatie binnen de kortste keren
nauwelijks meer van echte Romeinen te onderscheiden. Niettemin wordt
de ontwrichting die de ondergang van het Romeinse imperium teweeg
bracht tegenwoordig soms te veel gebagatelliseerd.
Het
Romeinse Rijk was een verstedelijkte samenleving. Rome zelf telde op
het hoogtepunt van haar macht meer dan een miljoen inwoners en
verreweg de meeste Romeinen woonden in stadjes en steden met enkele
duizenden tot enkele tienduizenden inwoners. Het platteland was
schaars bevolkt. Zelfstandige kleine boeren waren er nauwelijks: de
landbouwproductie vond plaats op grote latifundia, die bewerkt
werden door slaven (het meeste voedsel werd overigens geïmporteerd).
Hoewel
de geplaagde steden aanvankelijk van de economische crisis en de
barbaarse overvallen konden herstellen, gingen ze uiteindelijk toch
ten onder. Aan het begin van de Middeleeuwen telde Rome nog slechts
enkele tienduizenden inwoners. De meeste steden in Gallië waren
gekrompen tot nauwelijks een kwart van hun oorspronkelijke omvang. Er
was ook een einde gekomen aan de traditie dat een groot deel van de
openbare gebouwen als markthallen, basilica's, thermen en theaters
door rijke en belangrijke privépersonen werden gefinancierd: als er
al gebouwd werd, dan betrof het voornamelijk kerken en kloosters.
Ook
in andere opzichten verloor het leven veel van zijn glans: in de
nieuwe Germaanse koninkrijkjes zaten de burgers te bibberen in hun
niet langer centraal verwarmde woningen, theaters en baden werden
wegens 'zedenbederf' gesloten en het handelsverkeer stortte in
elkaar. Veel kennis ging verloren: o.a. het recept voor het maken van
het oersterke en waterdichte Romeinse beton (opus caementicum)
door menging van kalk met het vulkanische pozzolaan. Deze Romeinse
innovatie maakte het bouwen van enorme gewelven en koepels mogelijk,
die pas in de 17e eeuw werden geëvenaard. Het is dan ook geen wonder
dat er een verlangen ontstond het illustere Romeinse verleden te
laten herleven.
Rome, de Basilica van Maxentius en Constantijn, een voorbeeld van Romeinse koepelbouw
De vroegchristelijke basilieken van Italië.
Grado.
De vroegchristelijke basilieken van Italië.
De
eerste christelijke basilieken werden aan het begin van de 4e eeuw
gebouwd en in de navolgende 600 jaren veranderden ze in essentie
slechts weinig. Een dergelijke basiliek had drie beuken, waarvan de
middelste eindigde in een absis. Torens ontbraken, evenals exterieure
versieringen. Het interieur was daarentegen rijkelijk gedecoreerd,
vooral met mozaïeken. Ze werden gedekt door een vlak houten plafond
of een open zadeldak met gebint. Het transept ontbrak meestal, of stak nauwelijks uit. Enkele van de mooiste nog bestaande
voorbeelden zijn geconcentreerd in de volgende steden:
Rome.
Rome.
Er
zijn meer dan 900 kerken in Rome, waarvan een groot deel stamt uit de
eerste drie eeuwen na de christelijke triomf over het heidendom. De
meest bekende zijn de vier basilicae maiores.
Hoewel de San Giovanni in Laterano (ca. 325) als
officiële zetel van de Bisschop van Rome (de paus) formeel het
hoogst in de hiërarchie staat, is de oude Sint Pieter (San Pietro in Vaticano, bouw
begonnen omstreeks 320) de meest bekende. De beide andere zijn de San Paolo fuori le Mura (ca.
386) en de Santa Maria Maggiore (ca. 430). Op de
Sint Pieter na hebben ze min of meer hun oude plattegrond behouden, al
hebben Renaissance en Barok zowel waar het de gevels als de
interieurs betreft flink huisgehouden en heeft de San Giovanni er een fraaie kruisgang bij gekregen. Het baptisterium werd het voorbeeld voor de meeste andere in West-Europa. De San Paolo heeft, als een
van de weinige basilieken uit deze periode, nog een origineel atrium
(open voorhof).
Rome, San Giovanni in Laterano (JW)
De
oude Sint Pieter was een vijfschepige basiliek met een enorm
atrium en was tot de bouw van Cluny III (de derde abdijkerk van de fameuze Abdij van Cluny) de grootste kerk van de
christenheid. Hoe hij er ongeveer uit moet hebben gezien weet men uit
oude gravures. De vervallen kerk
werd in 1506 gesloopt en vervangen door de nieuwe versie, die (door
tal van veranderingen in het ontwerp) pas in 1626 werd gewijd. De
nieuwe Sint Pieter was recordhouder tot 1989, toen het
eerbiedwaardige gebouw in omvang voorbijgestreefd werd door een protserige
Afrikaanse kopie.
De
Santa Sabina, gebouwd tussen 422 en 432, is de oudste basiliek
die de originele architectuur heeft weten te bewaren. De kerk is
gewijd aan de Romeinse matrone Sabina, die omstreeks 125 vanwege haar
bekering tot het christendom werd onthoofd en later heilig is
verklaard. Volgens een legende stond haar huis op de plaats waar
later de kerk werd gebouwd. De houten deur met bijbelse taferelen in
het portaal is de oudste bewaard gebleven kerkdeur.
Rome, Pantheon: koepel met oculus
Een
aantal kerken huizen in omgebouwde Romeinse monumenten, die mede
daardoor uitstekend bewaard zijn gebleven. Het Pantheon werd
door keizer Hadrianus omstreeks 120 gebouwd als 'tempel voor alle
goden'. Vanaf 609 is het bouwwerk in gebruik als katholieke kerk (Sancta Maria ad Martyres) en er is ook een aantal beroemdheden bijgezet. Een nog
indrukwekkender voorbeeld is de Santa Maria degli Angeli,
oorspronkelijk het tepidarium van de Thermen van Diocletianus
en vanaf 1561 door o.a. Michelangelo verbouwd. De kruisgewelven,
zuilen, ramen en marmeren bekleding zijn nog origineel Romeins. De
Santa Costanza (een centraalbouw) was oorspronkelijk een
mausoleum voor twee dochters van keizer Constantijn I: Constantia,
overleden in 354, en Helena, overleden in 360. In 1254 werd het
gebouw door Paus Alexander IV bestempeld tot kerk en gewijd aan de
heilige Constantia. De centrale ruimte, waar tegenwoordig het altaar
staat, wordt omgeven door 12 paar zuilen (die de apostelen
representeren) en een ambulatorium. De kerk is bekend om de fraaie mozaïeken, met name de zeldzame seculiere paleismozaïeken
Rome, Mamertijnse gevangenis: altaar gewijd aan Petrus
Grado.
De
kleine havenplaats Grado aan de Adriatische Kust is in het gelukkige
bezit van twee ongeschonden vroegchristelijke basilieken, die nog zusterlijk bij elkaar staan ook.
De
voormalige kathedraal Sant'Eufemia is in zijn huidige vorm ca.
580 gereedgekomen en is gewijd aan de heilige Eufemia van Chalcedon,
die tijdens de christenvervolgingen van Diocletianus (na volgens de
legende o.a. aan haar haren opgehangen en een week lang tussen stenen
geplet te zijn) voor de wilde dieren werd geworpen. De kerk is in het
bezit van een baptisterium en prachtige mozaïeken uit de 6e eeuw.
De
kleinere Santa Maria delle Grazie stamt uit dezelfde periode
en pronkt met mozaïeken uit een vroegere kerk.
Ravenna.
Tegenwoordig
ligt Ravenna ruim 10 km landinwaarts, maar in de Romeinse tijd was de
zee niet ver. Keizer Augustus richtte in het nabije Classis (het
huidige Classe) een haven in voor de vloot die het oostelijke deel
van de Middellandse Zee moest bewaken. Zijn navolger Claudius liet
een deel van de moerassen die Ravenna omringden droogleggen, maar het
gebied bleef voldoende ontoegankelijk om het een veilig
toevluchtsoord te maken voor de door barbaren belaagde keizer Honorius. Zijn
halfzuster Galla Placidia (na de moord op haar Visigotische
echtgenoot niet geheel vrijwillig hertrouwd met de Romeinse
legeraanvoerder en latere keizer Constantius III) heerste er van 425
tot 437 als regentes voor haar minderjarige zoon Valentianus III. Zij
maakte van Ravenna een centrum van kunst en cultuur. Na haar
overlijden in 450 werd ze in Rome (niet in het aan haar
toegeschreven mausoleum) te ruste gelegd. De Ostrogotische heerser
Theodorik was een nijvere bouwheer, o.a. verantwoordelijk voor de
beide aan de Heilige Apollinaris gewijde basilieken en het Ariaanse
baptisterium. Van zijn paleis is niets overgebleven, maar zijn
mausoleum heeft de eeuwen getrotseerd. In 540 viel Ravenna ten prooi aan de Byzantijnen, die haar ondanks de dreiging van de Longobarden
tot 752 in handen wisten te houden. Daarna was het snel met de welvaart van
de stad gedaan, een omstandigheid die zeker heeft bijgedragen tot het
behoud van de monumenten. Sinds 1996 behoren de vroegchristelijke
gebouwen van Ravenna tot het werelderfgoed van de UNESCO.
De
godshuizen van Ravenna zijn vooral befaamd vanwege de vele mozaïeken,
waarin duidelijk de overgang van de klassiek-Romeinse naar de
Byzantijnse stijl is te herkennen. Op de klassieke mozaïeken worden
mens en natuur realistisch, zij het soms enigszins geïdealiseerd,
afgebeeld. Christus wordt weergegeven als een baardeloze jongeman en er is veel aandacht voor het perspectief. De Byzantijnse mozaïeken zijn
veel gestileerder. Personen komen frontaal en en streng kijkend voor
het voetlicht. De bebaarde Christus (vaak als pantocrator
weergegeven) boezemt ontzag in.
De
meest iconische van de vroegchristelijke monumenten in Ravenna is de
San Vitale (ca. 547). De
kerk werd gesticht door bisschop Ecclesius en voltooid met giften van
de Byzantijnse keizer Justinianus en zijn echtgenote Theodora. Het
betreft een centraalbouw, bestaande uit een rotonde die door acht
hoge bogen is gescheiden van het ambulatorium. Het koor en de absis
zijn versierd met mozaïeken uit verschillende perioden, waarvan de
jongste (die Justinianus en Theodora verbeelden) duidelijke
Byzantijnse invloeden verraden. De baardeloze Christus is afgebeeld
op een blauwe wereldbol. [grondplan] (Foto's mozaïeken JW)
Deze
kerk uit het begin van de 6e eeuw is een typische vroegchristelijke
basiliek. Het was de paleiskerk van Theodorik. Er is geen
absismozaïek (die werd tijdens 16e eeuwse renovaties verwijderd),
maar de zijwanden zijn voorzien van maar liefst drie rijen mozaïeken.
De bovenste rij vertoont in de klassieke stijl scenes uit het leven
van Christus en tussen de ramen zijn in dezelfde trant heiligen en
profeten weergegeven. De onderste mozaïeken verraden Byzantijnse
invloeden -niet verwonderlijk aangezien ze ruim 50 jaar jonger zijn.
Aan de linkerkant is een rij van 22 maagden afgebeeld die,
voorafgegaan door de Drie Koningen, vanuit Classe op weg zijn naar
Maria met het kind Jezus op schoot; aan de rechterkant is een
processie van 26 martelaren te zien die zich vanuit Ravenna naar de
op zijn troon zittende Christus reppen. Na de dood van Theodorik was
het Arianisme spoedig uit de gratie. Rond 560 werd het gebouw een
katholieke kerk die gewijd was aan de heilige Martinus van Tours. In
het mozaïekportret van het paleis van Theodorik zijn bij die
gelegenheid de afgebeelde dignitarissen weggecensureerd en vervangen
door gordijnen, maar op sommige pilaren is nog een hand waar te
nemen. Uit angst voor aanvallen van piraten werden de relieken van
Appolinaris in de 9e eeuw uit Classe weggehaald en werd de kerk aan
deze heilige opgedragen. Het ietwat detonerende cassettenplafond
stamt uit de 17e eeuw. [grondplan]
Hoewel
dit bouwwerk tijdens tijdens de regering van Galla Placidia werd
voltooid, betreft het vrijwel zeker geen mausoleum. Het is
vermoedelijk een kapel gewijd aan de heilige Laurentius. Het gebouw
is rijk versierd: het onderste gedeelte is bekleed met geel marmer en
de rest met schitterende mozaïeken, waarop o.a. Laurentius het
rooster waarop hij aan zijn eind zal komen aanschouwt en Christus als een goede herder zijn schapen hoedt. [grondplan] (Foto's JW)
Battistero Neoniano (Baptisterium van de Orthodoxen).
Deze
doopkapel werd aan het begin van de 5e eeuw gebouwd door bisschop
Orso en van mozaïeken voorzien door diens opvolger Neone. Het
bouwwerk (dat tegenwoordig ruim 3 meter onder het straatniveau ligt)
is achthoekig van vorm. De mozaïeken dateren uit de periode 451 tot
475. Het koepelmozaïek geeft, in overwegend blauwe tinten, de doop
van Jezus weer. Die is hier afgebeeld als een wat oudere, bebaarde
man. Hij staat tot zijn middel in de Jordaan, wordt besprenkeld door
een in luipaardvel geklede Johannes de Doper en wordt omgeven door
een krans van apostelen. Op een ander mozaïek zijn de vier
evangelisten en hun zinnebeelden te zien. De bogen die de koepel
ondersteunen zijn gedecoreerd met mozaïeken van acanthusbladeren en
stucwerk met bijbelse scenes. Het inlegwerk van marmer is afkomstig
uit een Romeins thermencomplex. (Foto's mozaïeken JW)
Toen
Theodorik aan de macht kwam, kregen ook de Arianen een eigen
doopkapel, die werd gesitueerd naast de Ariaansche kathedraal, de
tegenwoordige Spirito Santo. Van de mozaïeken is alleen die
in de koepel overgebleven (op de grond vond men bij de restauratie
maar liefst 170 kg mozaïeksteentjes). De voorstelling vertoont
dezelfde elementen als het koepelmozaïek van het Battistero
Neoniano, alleen is Jezus hier een baardeloze jongeman en is de
hoofdkleur goud. Na het uitbannen van het Arianisme in 565 werd het
gebouw omgetoverd tot het katholieke oratorium Santa Maria. In
de loop der eeuwen werd het overwoekerd door andere constructies en
het kwam pas weer in volle glorie tevoorschijn nadat deze door
bombardementen tijdens WO II verwoest waren.
Theodorik
stierf in 526 en werd bijgezet in het door hemzelf gebouwde
mausoleum. Het meest opvallende onderdeel daarvan is de koepel: het
is een massieve steen van een meter dik en elf meter doorsnee, die
300 ton weegt. Het mausoleum heeft twee verdiepingen en is gebouwd
met behulp van de Romeinse opus quadratum techniek, die al 4
eeuwen was afgedankt. De kruisvormige onderste ruimte diende
vermoedelijk als grafkapel. De porfieren urn van Theodorik stond op
de verdieping daarboven. Zijn stoffelijke resten werden verwijderd
tijdens de Byzantijnse overheersing. Het gebouw werd toen
getransformeerd tot een katholiek oratorium.
Deze basiliek stamt weliswaar oorspronkelijk uit dezelfde periode, maar er is
zoveel aan verbouwd dat hij niet tot de schatten van de mensheid
wordt gerekend (het grootste deel is romaans). De permanent onder
water staande crypte met 6e eeuwse mozaïeken op de vloer kan toch
echter op zijn minst bijzonder genoemd worden.
Deze
basiliek is iets ouder dan zijn naamgenoot in Ravenna en was
aanvankelijk in het trotse bezit van de relieken van de heilige. Op
de zijwanden vindt men 18e eeuwse geschilderde medaillons met
portretten van de bisschoppen van Ravenna. Het mozaïek in de absis
is gelukkig bewaard gebleven. Het geeft de transfiguratie van
Christus weer (die gerepresenteerd wordt door een gouden kruis).
Apollinaris heeft een prominente plaats pal daaronder gekregen. [grondplan] (Foto's mozaïeken JW)
Baptisteria.
In
Frankrijk zijn, in tegenstelling tot Italië, weinig
vroegchristelijke bouwwerken bewaard gebleven. Een van de zeldzame
uitzonderingen is de Saint-Pierre in Vienne, die uit de 5e
eeuw dateert. Het was oorspronkelijk de grafkapel van een kerkhof dat
was aangelegd te midden van de ruïnes van een voormalige woonwijk.
Tot de 12e eeuw werden de bisschoppen van Vienne er bijgezet, te
beginnen met de vermoedelijke bouwheer, bisschop Mamertus (overleden
in 475). In de 6e eeuw vestigde een gemeenschap van monniken onder
leiding van de heremiet Leonianus zich op het terrein. Het schip en de
boogdecoraties op de muren stammen uit de begintijd. In de
Karolingische periode werden de ramen gewijzigd en in de 11e eeuw
werden hoge boogarcaden toegevoegd, waardoor twee smalle zijbeuken
ontstonden. De voorhal met toren, waarin delen van de Karolingische
afscheiding tussen koor en schip zijn verwerkt, stamt uit de 12e
eeuw. Sinds 1872 is het gebouw een lapidarium, waarvan de
collectie tot op heden praktisch ongewijzigd is gebleven.
De meeste uit deze periode resterende bouwwerken zijn doopkapellen. In vroeger tijden had iedere bisschopszetel zo'n baptisterium. Deze waren minder aan de mode en de noodzaak tot uitbreiding onderhevig dan kerkgebouwen. Met name in Zuid-Frankrijk zijn er verscheidene bewaard gebleven, o.a. in Fréjus, Aix-en-Provence en Venasque. Ook in Albenga, aan de Italiaanse Rivièra, is een dergelijk monument te vinden. Al deze kapellen stammen uit de vijfde eeuw, zijn achthoekig van vorm en hebben een eveneens octagonale piscina (doopvont: dopen geschiedde tot de 10e eeuw door onderdompeling), die zowel graftombe als baarmoeder symboliseert. Het getal acht representeert de zeven dagen van de week plus de Dag des Oordeels. De zuilen met Korinthische kapitelen waren vrijwel zonder uitzondering afkomstig uit Romeinse tempels. Sommige kapellen hebben een ambulatorium, maar de meeste zijn daarvoor te klein. De verschillende baptisteria hebben uiteraard alle hun eigenaardigheden.
Het
baptisterium bij de Saint-Sauveur in Aix-en-Provence is
pontificaal boven op het forum van het vroegere Aquae Sextiae
neergepoot (ongebruikelijk omdat kerken in deze periode gewoonlijk
vlak bij de stadsmuren werden gebouwd). De koepel is in de 16e eeuw
toegevoegd. (Foto JW)
Van het baptisterium bij de Saint-Léonce in Fréjus zijn alleen het onderste deel van de muren en het doopvont origineel. In de 13e eeuw werd het geheel omgeven door een nieuwe muur en werd het doopvont afgedekt. Aan het begin van de 20e eeuw werden de oude structuren herontdekt en gerestaureerd.
Van het baptisterium bij de Saint-Léonce in Fréjus zijn alleen het onderste deel van de muren en het doopvont origineel. In de 13e eeuw werd het geheel omgeven door een nieuwe muur en werd het doopvont afgedekt. Aan het begin van de 20e eeuw werden de oude structuren herontdekt en gerestaureerd.
Het
baptisterium van de San Michele Arcangelo in Albenga heeft mozaïekdecoraties uit de 5e en 6e
eeuw. Het is in de 19e eeuw gerenoveerd, waarbij het originele
gewelf, dat bestond uit tubi fittili (met cement gevulde
aardewerk buizen), totaal vernield werd.
Het meest unieke baptisterium (Saint-Jean) staat een stuk noordelijker: in Poitiers. Het centrale gedeelte dateert uit 360 en is daarmee het oudste christelijke bouwwerk in Frankrijk überhaupt. De eerste doopkapel werd bij de inval van de Visigoten zwaar beschadigd en tijdens het Merovingische tijdperk vernieuwd. Daarbij werden twee zijabsidiolen en een absis toegevoegd. De buitenmuren vertonen nog altijd de afwisseling van steen en baksteen die typerend is voor Merovingische bouwwerken. In de 10e eeuw werd het inmiddels vervallen bouwwerk opgeknapt en in gebruik genomen als kerk. De fresco's, waaronder een ruiterportret van keizer Constantijn, werden in de 12e en 14e eeuw toegevoegd. Tegenwoordig is in het gebouw een klein museum gevestigd met o.a. sarcofaagdeksels daterend uit de 5e tot de 7e eeuw.